Over subsidie, transparantie en waardigheid
De afgelopen periode heb ik bij meerdere instanties een cultuursubsidie aangevraagd. Wat mij daarbij opvalt, is de structurele afwezigheid van inhoudelijke communicatie. Afwijzingen beperken zich steevast tot één zin: “In de bestuursvergadering is besloten uw aanvraag niet te honoreren.” Zonder toelichting. Zonder argumentatie. Zonder enige vorm van inhoudelijk oordeel waar een kunstenaar zich toe kan verhouden.
Dat is problematisch. Niet alleen omdat het onzorgvuldig is, maar omdat het het beoordelingsproces onzichtbaar maakt. Wie werk maakt, onderzoekt, ontwikkelt en een expositie gedurende een jaar opbouwt, mag op zijn minst verwachten dat een afwijzing wordt gedragen door een beargumenteerde visie. Niet om het oordeel per se te betwisten, maar om het te kunnen begrijpen.
Wat deze ervaring verder vervreemdt, is dat er in sommige gevallen na een afwijzing alsnog gevraagd wordt om een cv en bankrekeningnummer. Dat roept vragen op over de interne procedures en de zorgvuldigheid waarmee aanvragen worden behandeld.
Laat ik helder zijn: ik verwacht geen toekenning als vanzelfsprekendheid. Kunst vraagt om selectie, om keuzes, om positie. Maar wat ik wél verwacht, is een minimale vorm van transparantie en respect. Want zonder die twee blijft er weinig over van een serieuze dialoog tussen maker en instituut.
Met deze tekst realiseer ik mij dat ik mogelijk lopende of toekomstige subsidieaanvragen bij voorbaat op het spel zet. Dat is een consequentie die ik accepteer. Niet uit onwil om mijn werk te tonen — integendeel — maar vanuit de overtuiging dat zichtbaarheid niet ten koste mag gaan van waardigheid.
Als dit betekent dat mijn werk minder vaak of op andere plekken te zien zal zijn, dan is dat uiteindelijk niet alleen mijn verlies, maar ook dat van het publiek. Want wat niet ondersteund wordt, wordt minder zichtbaar.
Mijn werk blijft. Mijn positie als kunstenaar ook. Maar niet tegen elke prijs.
#hetHollaarfonds