Toespraak bij mijn expositie Rood
door Jan van Kessel

Rood

Wie komt er het eerst in je gedachten op bij de kleur rood?
Het was een vraag uit een quiz die Theo Urbach me twee weken geleden mailde.
Er was geen enkele twijfel.
Bij rood moest ik aan Theo zelf denken.
Ik vulde de rest van de vragen in en bekeek daarna de oplossingen.
Er stond: de kleur rood staat voor degene op wie u verliefd bent.
Een quiz op niveau, dat begrijpt u wel.
Ik heb Theo direct gemaild en gemeld dat ik – volgens de quiz althans – verliefd op hem was.
Ik ondertekende met: Een kusje van Jan.

Niet veel later kreeg ik mail terug.
Theo verzuchtte in dat mailtje: bij de kleur rood moest ik aan mezelf denken.
Dat wordt dus niks, dacht ik. Einde verliefdheid.

De kleur rood blijft evenwel overeind.
Theo en rood.
Rood en Theo.
Ik ken Theo niet zo heel goed, ik ben geen Theoloog, maar ik ken hem voldoende als schilder om vast te stellen dat rood Theo is en Theo rood. Als hij schildert, kan iedere kleur ontbreken maar niet de kleur van de passie, het vuur, de liefde, de woede, de pijn en het verdriet.
Rood is zijn manier om kleur te bekennen. Om de kleur rood kun je niet heen. Ze is AANWEZIG.
Daarmee geeft Theo te kennen: ,,Mensen, hier ben ik. THEO. Dit is wat ik doe, dit is wie ik ben. Hier heb je het mee te doen.”
THEO. Hij is koppig. En ongelooflijk eigenwijs, volgens mij. Theo, begin niet gelijk te sputteren. Ik ben nog niet klaar.
Eigenwijs, bedoel ik, in de zin van almaar blijven tasten en zoeken naar een eigen wijs, een eigen grondmelodie. Nou, die eigen wijs, die eigen toon heeft-ie als schilder al lang en breed gevonden. Een Urbach is een Urbach. Die haal je er altijd uit. Het slechtste werk van Theo is wanneer hij vergeet eigenwijs te zijn, zijn eigen WIJZE te zijn. Als Theo zijn oren te luisteren legt bij anderen, als Theo niet naar zichzelf luistert, maakt hij zijn eigen werk niet meer.
Hier, bij ’t Spijkvoorde, hangt drie jaar Theo Urbach. Drie jaren die voor hem in menig opzicht pijnlijk en verdrietig zijn geweest, maar die pijn en dat verdriet (ook gesymboliseerd door de kleur rood) hebben hem ook sterker gemaakt. Als mens. En als schilder en tekenaar. Want hoe je het ook wendt of keer, het verdriet stelde hem in staat een nieuw idioom aan te boren in zichzelf. Een andere, een nieuwe taal te spreken via het doek en het papier.
Drie jaar Urbach, onder de titel: 1 all1. Refereert Theo in deze titel enkel aan zijn scheiding, zijn alleen-zijn. Drie jaar alleen.
Ook. Ongetwijfeld. Kijkt u maar in het rond. Er zitten genoeg schilderijen en tekeningen bij die die innerlijke strijd van Theo weergeven.
Of zoals Theo zelf tegen me zei: ,,De tekeningen zijn bladzijden uit mijn dagboek van drie jaar. De schilderijen geven periodes uit dat boek weer. Te zamen vormen ze mijn autobiografie van drie jaar Urbach.”
Maar er is meer dan dat. Ieder doek, iedere tekening kan worden gezien als een autonoom werk. Alle doeken, alle tekeningen zijn verschillend. En toch zijn ze één. Ze zijn namelijk van een en dezelfde hand. Zijn hand.
Of om een andere metafoor te gebruiken. Theo staat in de keuken en kookt een geurige groentensoep. Hij schept een bordje in. Je kunt je dan concentreren op alle ingrediënten: de smaak van de wortel, de prei, de ui, de vermicelli, de bouillon. En je kunt de soep als geheel proeven.
Met andere woorden: in ieder schilderij proef je alle ingrediënten afzonderlijk van drie jaar Urbach en de complete Urbach. Kunt u me nog volgen?
Je proeft de verscheidenheid in de eenheid. Eenheid in de verscheidenheid.
Het woord alleen in de titel verwijst, volgens mij dan ook, naar het begrip Al-Een. Alleen is namelijk een samentrekking van de woorden Al en Een. En dat betekent niet meer en niet minder dan dat Alles Een is.
Dat zou ook kunnen impliceren dat Theo samenvalt met alles wat hij schildert, dat hij op het moment suprême, als de inkt het papier raakt of de verf het doek, vervloeit. Eén wordt. Dat het geschilderde en de schilder niet meer te onderscheiden zijn.
Dat is volgens mij het wezenlijke waar het de schilder, en in het bijzonder de kunstenaar en de mens, om te doen is. Hij wil wegvallen tegen de achtergrond. Hij wil opgaan in het grote geheel. En ik durf hier te beweren dat het kijken naar schilderijen van Theo Urbach dat gewenste effect heeft en kan hebben. En ik kan het weten want ik heb thuis zo’n geweldig mooi ROOD doek hangen.
Niet zo heel lang geleden heb ik over dat gevoel eens een gedicht geschreven.
Het heet Alles.

Alles

Daar waar geen tekst, geen uitleg is. Geen geluid.
Stilte.
Daar waar alles een is. En een alles.
Liefde zonder voorwaarden.
Snijdende kou. Schroeiende hitte.
Verbinding.
Energie die spat als
allesoverheersende stilte.
Daar!
Waar?
Daar!
Voorbij de woorden.

Jan van Kessel, 8 april 2006